Spinneruilen - Erebidae
De spinneruilen (Erebidae) zijn een familie van vlinders in de superfamilie Noctuoidea. Het typegeslacht van de familie is Erebus.
De groep heeft de status van familie gekregen dankzij een discussie die is aangezwengeld door Lafontaine en Fibiger in 2005 en 2006. Deze auteurs deden kort na elkaar twee voorstellen, omdat geconstateerd werd dat de familie van de uilen (Noctuidae) in de toenmalige indeling niet monofyletisch was. Bij het voorstel van 2005 kregen de Erebidae (weer) de status van familie binnen de Noctuoidea, en werden daarbij verenigd met de beervlinders en de donsvlinders. Bij het voorstel in 2006 kozen de auteurs ervoor de familie uilen (Noctuidae) flink uit te breiden en in dat voorstel waren de spinneruilen een onderfamilie. Aanvankelijk kreeg de uitbreiding van de uilen veel steun, maar later keerde het tij nadat de keuze ondersteund werd door moleculair onderzoek. Onder meer Fauna Europaea heeft de familie Erebidae overgenomen. Veel bronnen houden nog de oude indeling aan.
De spinneruilen onderscheiden zich van de uilen door de andere adering van de achtervleugel. Wereldwijd komen zo'n 24.600 soorten voor.
Witvlakvlinder - Orgyia antiqua
Voorvleugellengte: ♂ 12-17 mm. Het mannetje heeft een tamelijk effen oranjebruine of soms iets donkerdere voorvleugel met vage donkere dwarslijnen en een opvallende witte halvemaanvormige vlek in de binnenrandhoek. Het vrouwtje heeft onontwikkelde vleugels en een licht grijsbruin, gezwollen achterlijf.
Kenmerken rups
Tot 35 mm; lichaam donkergrijs bedekt met grijsachtig witte haarborstels, die op kleine wratjes staan ingeplant; de segmenten vier tot zeven elk met een opvallende bruine, gele of licht okerkleurige haarborstel op het midden van de rug; segment een met een paar naar voren wijzende borstels van lange zwarte gepluimde haren en segment elf met een identieke haarborstel, die op het midden van de rug staat en naar achteren wijst; over de rug vier rijen vuilrode vlekken en over de flanken een gebroken witte lengtestreep over de spiracula; kop glimmend zwart. De haren kunnen een jeukende uitslag veroorzaken.
Spaanse Vlag - Euplagia quadripunctaria
Voorvleugellengte: 28-33 mm. Goed te herkennen aan de groenzwarte voorvleugel met crèmekleurige strepen en de rode, oranje of gele achtervleugel met zwarte vlekken. Er is weinig variatie in de tekening.
Kenmerken rups
Tot 50 mm; lichaam donker bruin, bekleed met korte, geelachtig bruine of grijsachtige haarborstels, die op oranjebruine wratten staan ingeplant; over de rug een brede, gebroken oranjegele middenband en op de flanken een gebroken geelachtig witte lengtestreep; kop glimmend zwart.
Sint-Jacobsvlinder - Tyria jacobaeae
De rupsen van de sint-jacobsvlinder slaan de gifstoffen uit jacobskruiskruid op, waardoor ze later als vlinder oneetbaar zijn.
Voorvleugellengte: 17-23 mm. Een opvallende verschijning door de zwarte voorvleugel met twee rode stippen langs de achterrand en een rode streep langs zowel de voorrand als de binnenrand. De achtervleugel is rood met zwarte randen.
Kenmerken rups
Tot 30 mm; lichaam helder oranje geel met opvallende zwarte dwarsbanden; beharing kort, zwart en onopvallend; kop glimmend zwart.
Bruine daguil - Euclidia glyphica
De bruine daguil (Euclidia glyphica) is een dagactieve nachtvlinder uit de familie van de spinneruilen (Erebidae). De vlinder heeft een spanwijdte van 25 tot 30 millimeter.
Het verspreidingsgebied beslaat het grootste deel van het Palearctisch gebied en een deel van Noord-Afrika. Waardplanten van de rupsen komen uit de geslachten Viola en Trifolium.
Huismoeder - Noctua pronuba
Duras Kasteelpark
07-04-2018

Duras Kasteelpark
07-04-2018

De huismoeder (Noctua pronuba) is een vrij grote vlinder uit de uilenfamilie. Hij wordt ook wel hooivlinder genoemd. De vlinder heeft één generatie per jaar. In de zomer gaan de vlinders in rust.
Vrij talrijk voorkomende vlinder in tuinen, parken, open cultuurland en open loofbossen. In heel Nederland algemeen voorkomend van mei tot en met september.
De vlinder heeft een spanwijdte van circa 60 millimeter en heeft zeer variabel gekleurde voorvleugels met als grondkleur roodbruin, grijsbruin of geelachtig en in het midden een ring- of niervormige vlek. De achtervleugels zijn geel met een zwarte band langs de achterrand Huismoeders vliegen 's avonds vaak op het licht af en fladderen onrustig rond de lamp.
Net als bij het rood weeskind kan het plots opduiken en weer verdwijnen van kleurige vleugels een predator in verwarring brengen.
De rups is tot 50 mm lang en overwintert. De rups is groen of lichtbruin met een smalle, lichtbruine rugstreep en twee rijen zwarte rugvlekken op het achterste stuk. De verpopping vindt plaats in een holte in de grond.
De soort komt verspreid over het Palearctisch gebied voor en is in 1979 in Canada geïntroduceerd.
Maak jouw eigen website met JouwWeb